In haar bijdrage aan de herziening van de richtlijn aandeelhoudersrechten (SRD II) door de Europese Commissie geeft de Europese Confederatie van Verenigingen van Bestuurders (ecoDa) een evenwichtige en pragmatische beoordeling van de doeltreffendheid van de richtlijn en de toekomstige richting ervan. Dit standpunt weerspiegelt de ervaring van bestuurders in de raden van bestuur door heel Europa en stelt fundamentele vragen over de werkelijke impact van SRD II op het gedrag van ondernemingen. 

Het standpunt van ecoDa stelt vast dat, hoewel bepaalde verbeteringen in de betrokkenheid van aandeelhouders met name tussen institutionele beleggers en raden van bestuur zijn vastgelegd, het moeilijk blijft om deze ontwikkelingen rechtstreeks aan de richtlijn toe te schrijven. De organisatie waarschuwt tegen de veronderstelling dat regelgeving op zich voldoende is om betekenisvolle betrokkenheid te bevorderen, en benadrukt in plaats daarvan het belang van marktdynamiek, eigendomsstructuren en governancecultuur. Tegen deze achtergrond pleit ecoDa voor een voorzichtiger regelgevende aanpak, gericht op vereenvoudiging in plaats van verdere uitbreiding. 

Een centrale boodschap is dat bepaalde onderwerpen niet opnieuw ter discussie zouden mogen worden gesteld, aangezien dit kan leiden tot een onevenredige juridische complexiteit met een beperkte meerwaarde.  Dit geldt met name voor het heropenen van vraagstukken rond de identificatie van aandeelhouders en de definitie van aandeelhouders, die ongewenste neveneffecten kunnen hebben op nationale kaders van vennootschapsrecht. 

 Tegelijkertijd identificeert ecoDa het verbeteren van transparantie als een gerichte prioriteit. De organisatie roept op tot versterkte transparantieverplichtingen voor stemadviseurs (proxy advisors), met name wat betreft hun methodologieën en de manier waarop zij rekening houden met nationale governancecontexten. Ook institutionele beleggers en vermogensbeheerders worden aangespoord tot meer transparantie, aangezien hun engagementpraktijken vaak als formalistisch en onvoldoende inhoudelijk worden ervaren. 

Het standpunt benadrukt ook de noodzaak om een aantal essentiële onderdelen van SRD II te vereenvoudigen. Het huidige kader voor transacties met verbonden partijen wordt als complex en gefragmenteerd tussen de lidstaten beschouwd, met weinig bewijs van praktisch nut. Evenzo wordt het beloningsbeleid vaak als overdreven gestandaardiseerd beschouwd en als weinig invloedrijk op de feitelijke bezoldigingspraktijken, wat suggereert dat een grotere nadruk op transparantie doeltreffender zou kunnen zijn. Flexibiliteit bij de organisatie van algemene vergaderingen – met name via digitale formats – wordt ondersteund, met de erkenning dat grotere toegankelijkheid niet automatisch leidt tot sterkere betrokkenheid. 

In het algemeen pleit ecoDa voor een heroriëntering van SRD II: weg van aanvullende prescriptieve regelgeving en in de richting van een meer proportioneel kader dat vereenvoudiging vooropstelt, nationale bijzonderheden respecteert en transparantie versterkt waar die het meest relevant is. 

Lees hieronder het volledige standpunt van ecoDa