Is een bestuursmandaat in een overheidsbedrijf nog aantrekkelijk?
Inleiding
Op 22 juni 2026 organiseerde GUBERNA haar Yearly Event Public Governance in de Belfius-toren te Brussel, dit jaar gewijd aan een ogenschijnlijk eenvoudige, maar verstrekkende vraag: is een bestuursmandaat in een overheidsbedrijf nog aantrekkelijk? De vraag is niet onbelangrijk. Overheidsbedrijven nemen een steeds grotere plaats in binnen de wereldeconomie en beantwoorden aan essentiële maatschappelijke behoeften, in een almaar complexere context. Sandra Gobert, Executive Director bij GUBERNA, opende de dag door te wijzen op een dubbele uitdaging: het aantal overheidsbedrijven neemt toe, terwijl de druk voor meer democratische verantwoording toeneemt. Bekwame bestuurders vinden wordt in die context een strategische uitdaging van de eerste orde.
Drie sprekers belichtten achtereenvolgens drie structurele obstakels voor die aantrekkelijkheid: een juridisch kader dat voor verbetering vatbaar is, de 'benoemingscarrousel' en de vraag naar een passende
Obstakel 1: een juridisch kader dat voor verbetering vatbaar is
Jeroen Delvoie (Partner Eubelius/professor VUB) opende de reeks keynotes met een vaststelling: de rol van de overheid als economische speler blijft toenemen, in een geopolitieke en maatschappelijke context die haar nieuwe verantwoordelijkheden toebedeelt. Die evolutie roept een fundamentele vraag op: wie gaat deze bedrijven besturen, en hoe trek je daarvoor de juiste mensen aan?
Zijn antwoord is ondubbelzinnig: het huidige juridische kader is niet opgewassen tegen deze uitdaging. Hoewel het Wetboek van vennootschappen en verenigingen (WVV) een gemeenschappelijke basis biedt, komen daar bij overheidsbedrijven tal van juridische lagen bovenop (organieke wetten, decreten, statuten, beheersovereenkomsten en handvesten), met regels die verschillen naargelang het bestuursniveau.
Binnen dit juridisch kader, dat uniformiteit en coherentie mist, is er op het vlak van de benoemingsprocedures een kloof tussen theorie en praktijk; mist het mandaat van de overheidsbestuurder duidelijkheid; is de relatie met de overheid als aandeelhouder slecht afgebakend; en zijn de vergoedingsregels zowel versnipperd als juridisch weinig zeker.
Ten slotte wegen bepaalde onaangepaste randvoorwaarden op de aantrekkelijkheid van het mandaat. Denk daarbij aan het verbod om een beroep te doen op een managementvennootschap, evenals de verplichtingen inzake mandatenaangifte, die gepaard gaan met een verregaande transparantie.
Voor Jeroen Delvoie gaat het niet om een louter technisch probleem, maar om een kwestie van bestuurscultuur en politieke cultuur. Hij pleit voor een hercodificatie en modernisering van het juridische kader, steunend op de aanbevelingen van de OESO, en voor een vereenvoudiging van de rechtsvormen waaronder overheidsbedrijven hun activiteiten uitoefenen.
Obstakel 2: de benoemingscarrousel
Ewout Görtz, onderzoeker bij GUBERNA, belichtte vervolgens het fenomeen van de 'benoemingscarrousel'. Een verduidelijking dringt zich meteen op: het probleem is niet de aanwezigheid van de politiek in de benoemingen – democratische vertegenwoordiging heeft haar legitimiteit. Het probleem schuilt in de ondoorzichtigheid van het proces, in onvoldoende duidelijke selectiecriteria en in spelregels die te weinig worden toegepast.
Het is die grijze zone die de perceptie voedt dat connecties meer tellen dan competenties, die benoemde kandidaten blootstelt aan een reputatierisico en die ervaren profielen ontmoedigt om zich kandidaat te stellen.
De gevolgen reiken verder dan de individuele aantrekkelijkheid: het is de kwaliteit van het bestuur zelf die op het spel staat. Een samenstelling van de raad van bestuur die wordt bepaald door politieke evenwichten in plaats van door de strategische behoeften van het bedrijf, verzwakt de competentiemix, zet de onafhankelijkheid van geest van bestuurders onder druk en tast de legitimiteit van beslissingen aan.
Er werden vier pistes naar voren geschoven:
de selectie professionaliseren via een competentiematrix en een zoektocht die verder reikt dan het politieke netwerk;
definiëren wat een bekwame bestuurder is aan de hand van fit & proper-criteria;
een expertenpool samenstellen, zonder een gesloten 'kaste' van overheidsbestuurders te creëren;
deze engagementen verankeren in een ownership policy.
De centrale boodschap blijft dat democratische vertegenwoordiging en professionele selectie elkaar niet uitsluiten: ze zijn perfect verenigbaar, op voorwaarde dat de spelregels duidelijk zijn én worden toegepast
Obstakel 3: een passende vergoeding
David Risser, CEO bij Ethics & Boards, stelde de resultaten voor van een benchmark over 865 overheidsbedrijven in twaalf Europese landen. Eerste vaststelling: de rol van overheidsbedrijven in de wereldeconomie is sterk toegenomen.
Terwijl de OESO-richtlijnen overheidsbedrijven aanbevelen dezelfde hoge transparantiestandaarden te hanteren als beursgenoteerde vennootschappen, ook wat de vergoeding van bestuurders en directieleden betreft, legt de benchmark een aanzienlijke kloof bloot tussen theorie en praktijk: slechts 25% van de onderzochte commerciële overheidsbedrijven publiceert duidelijk zijn remuneratiebeleid voor de raad van bestuur, en dat percentage zakt tot 10% voor de niet-commerciële bedrijven. België en Luxemburg behoren tot de minst transparante van het panel, met een openbaarmakingsgraad van minder dan 5%, terwijl Zweden en het Verenigd Koninkrijk vaak boven 70% uitkomen. De benchmark toont eveneens aan dat, wanneer ze wordt bekendgemaakt, de vergoeding van bestuurders van commerciële overheidsbedrijven in de overgrote meerderheid van de landen duidelijk lager blijft dan die van hun private beursgenoteerde tegenhangers.
De praktijken lopen ook sterk uiteen wat de vergoeding van de directe vertegenwoordigers van de overheid betreft: geplafonneerd in Duitsland, in principe doorgestort aan de schatkist in Frankrijk, onbestaande voor de niet-commerciële bedrijven in Spanje. Sommige landen experimenteren daarnaast met een variabele vergoeding gekoppeld aan de prestaties of met peerevaluaties. Op Europees niveau tekent zich geen eenvormige aanpak af.
De boodschap van de OESO is nochtans duidelijk: een transparant remuneratiebeleid moet toelaten om gekwalificeerde professionals aan te trekken en te motiveren, en tegelijk het belang van het bedrijf op middellange en lange termijn dienen.
De rondetafel: de blik van de praktijkmensen
De rondetafel, gemodereerd door Filip De Rycke (Content Communication Specialist, GUBERNA) en met Françoise Roels (voorzitster, bnode), Eric Poncin (lid van het Extended CD van Wallonie-Entreprendre) en Marc De Braekeleer (Managing Partner, Odgers), toetste deze theoretische vaststellingen aan de ervaring op het terrein.
Wat de werkelijke aantrekkelijkheid van de mandaten betreft, nuanceerde het panel meteen het beeld: de terughoudendheid van sommige kandidaten hangt sterk af van het bedrijf, van het type mandaat en van de maatschappelijke rol die op het spel staat. De eigenheid van een overheidsmandaat (spanning tussen commerciële activiteit en publieke opdracht, veelheid aan stakeholders, complexiteit van de verantwoordelijkheden, enzovoort) kan voor sommige profielen net een element van aantrekkelijkheid vormen, terwijl ze anderen afschrikt.
Wat de professionalisering van de benoemingen betreft, klonk een oproep tot meer bescheidenheid: men mag niet veronderstellen dat iemand die door een politieke partij wordt aangeduid, om die reden alleen minder bekwaam zou zijn. De aanduiding van een bestuurder blijft van nature een politieke daad, maar de evaluatiepraktijken professionaliseren geleidelijk, en het is in die richting dat men moet doorgaan. De mediatisering van de benoemingen doet daarentegen een reële spanning ontstaan: hoewel transparantie over het proces en de competenties het vertrouwen versterkt, kan een te sterke blootstelling in de media sterke profielen afschrikken die zich daaraan niet wensen bloot te stellen.
Wat de noodzaak om te reguleren betreft, kwam een sterke boodschap naar voren: de spanning tussen democratische legitimiteit en professionele selectie is reëel, maar ze is niet onoverkomelijk. De vertegenwoordiging van vrouwen in de raden van bestuur is daar de illustratie van: ze kwam er niet vanzelf, er waren regels voor nodig. Zonder een dwingend kader volstaan goede bedoelingen niet. Dat geldt ook voor de kwaliteit van de benoemingen.
Wat de vergoeding betreft, was er een duidelijke convergentie: geld is niet de eerste drijfveer voor engagement. De impact, de kwaliteit van de raad van bestuur, de persoonlijkheid van de voorzitter en de relatie met de aandeelhouder wegen zwaarder door. Moed werd zelfs genoemd als de eerste kwaliteit van een bestuurder. Wat vooral naar voren komt, is de noodzaak om de opvolging tijdig voor te bereiden (via opleiding, mentoring en een goede onboarding) in plaats van te wachten tot een zetel vrijkomt om kandidaten te zoeken.
Conclusie
Brieuc Van Damme (CEO, Koning Boudewijnstichting) sloot de dag af en distilleerde verschillende consensuspunten. De behoefte aan bekwame overheidsbestuurders zal blijven toenemen, in een context waarin de overheidsportefeuille almaar uitbreidt. Er bestaat geen eenduidig model: de diversiteit aan contexten vergt een gedifferentieerde aanpak. Duidelijkheid over de rol en het mandaat van de bestuurder blijft onontbeerlijk. Ook al telt de vergoeding mee, andere factoren zijn even bepalend, in het bijzonder de professionaliteit van het proces, die het reputatierisico beperkt. Ten slotte lijkt investeren in een expertenpool en het tijdig opleiden van toekomstige bestuurders een gedeelde prioriteit.
Toch blijven er meningsverschillen bestaan. De definitie zelf van 'competentie' vraagt om nuance. Transparantie blijft een delicaat onderwerp: te veel blootstelling kan net de profielen afschrikken die men wil aantrekken. En de vraag of een wettelijke impuls nodig is om de zaken in beweging te krijgen, blijft open.
Verschillende vragen verdienen nog verdere uitdieping: hoe vind je het juiste evenwicht tussen democratische legitimiteit en professionalisering? Wat is werkelijk het verband tussen vergoeding en prestatie: blijft een onbezoldigde bestuurder even geëngageerd? En moet de mogelijkheid om een einde te maken aan het mandaat van bestuurders die hun doelstellingen niet halen, systematischer worden overwogen?
Het zijn precies deze vragen die GUBERNA zal blijven verkennen met het oog op de volgende edities van dit evenement. GUBERNA wenst alle deelnemers te bedanken voor hun aanwezigheid, en in het bijzonder de sprekers voor de rijkdom en de diepgang van hun bijdragen. Tot slot een grote dank aan Belfius voor de gastvrije ontvangst in de Rogiertoren, die een ideaal kader bood voor deze gesprekken.