1. Wanneer HR-compliance een bestuursaangelegenheid wordt

De afgelopen vier jaar hebben twee wetgevende kaders de manier waarop Belgische bedrijven omgaan met wangedrag op de werkvloer fundamenteel veranderd: de Belgische Klokkenluiderswet van 28 november 2022 (Klokkenluiderswet) en de Wet Private Opsporing (PIA) van 18 mei 2024. Beide regimes zijn ontstaan uit de wens om transparantie te vergroten en individuele rechten te beschermen, maar hun gecombineerde effect heeft een complex web van verplichtingen gecreëerd dat ver buiten de HR-afdeling reikt—potentieel rechtstreeks tot in de bestuurskamer.

Voor bestuurders van (beursgenoteerde) bedrijven zijn deze wetten niet louter operationele compliance-onderwerpen. Ze hebben governance-implicaties die raken aan informatiestromen, juridische risico's, reputatierisico's en de interface met de strafrechtelijke autoriteiten. Dit artikel geeft een overzicht van de belangrijkste regels onder beide regimes, identificeert de HR-juridische trends die we in de praktijk waarnemen, en belicht de specifieke impact op (beursgenoteerde) bedrijven en hun raden van bestuur.

2. Deel I - kernregels onder beide regimes

2.1 De Klokkenluiderswet: kernpunten voor HR

De Klokkenluiderswet zet EU-richtlijn 2019/1937 om in Belgisch recht voor de private sector. Ze is in werking getreden op 15 februari 2023 en is van toepassing op een breed scala aan meldbare aangelegenheden, waaronder inbreuken op het Unierecht op gebieden zoals overheidsopdrachten, financiële diensten, witwasbestrijding, productveiligheid, milieubescherming, gegevensbescherming, fiscale fraude en sociale fraude. België heeft van de mogelijkheid gebruikgemaakt om de reikwijdte uit te breiden tot buiten zuivere inbreuken op het Unierecht, door fiscale en sociale fraude toe te voegen aan de lijst van meldbare aangelegenheden. In de praktijk wordt sociale fraude door de autoriteiten ruim geïnterpreteerd en omvat ze inbreuken op de sociale wetgeving.

Wie kan melden. De Klokkenluiderswet beschermt een brede categorie van natuurlijke personen die informatie over inbreuken verkrijgen in een werkgerelateerde context, waaronder werknemers, zelfstandigen, aandeelhouders, leden van een bestuursorgaan (inclusief niet-uitvoerende bestuurders), vrijwilligers, stagiairs, en personen die werken onder toezicht van aannemers of onderaannemers. De bescherming geldt ook voor facilitatoren, verbonden derden, en rechtspersonen die eigendom zijn van of verbonden zijn met de melder.

Drie meldkanalen. Een melder kan melden via (i) het interne meldkanaal van de werkgever, (ii) een externe autoriteit, of (iii) openbaarmaking. Belangrijk is dat de Belgische wetgever ervoor heeft gekozen geen strikte getrapte procedure op te leggen: een melder is vrij om het meest geschikte kanaal te kiezen. Openbaarmaking verleent de melder echter enkel beschermde status onder de Klokkenluiderswet in specifieke omstandigheden—met name wanneer interne of externe melding niet binnen de voorgeschreven termijnen tot een passend gevolg heeft geleid, wanneer er een dreigend of manifest gevaar voor het algemeen belang bestaat, of wanneer externe melding een risico op represailles zou inhouden of ondoeltreffend zou zijn door specifieke omstandigheden, bijvoorbeeld een risico op verduistering of vernietiging van bewijs of collusie tussen de autoriteit en de dader.

Verplichting om een intern kanaal op te zetten. Private entiteiten met 50 of meer werknemers moeten interne meldkanalen en opvolgingsprocedures opzetten, na overleg met de sociale partners.

Operationele vereisten. Het interne kanaal moet de vertrouwelijkheid van de identiteit van de melder waarborgen door zijn ontwerp, opzet en beheer. Er moet een meldingsverantwoordelijke worden aangesteld. Deze persoon moet onafhankelijk zijn en vrij van belangenconflicten. De meldingsverantwoordelijke moet de ontvangst binnen zeven dagen bevestigen en binnen drie maanden na die bevestiging feedback geven aan de melder. Anonieme meldingen moeten worden aanvaard en opgevolgd door entiteiten met 250 of meer werknemers.

Anti-vergeldingsmaatregelen. Elke vorm van represaille tegen melders en beschermde personen is verboden. De Wet bevat een brede, niet-limitatieve lijst van verboden represaillemaatregelen, waaronder ontslag, demotie, overplaatsing, loonsverlaging, negatieve prestatiebeoordelingen, disciplinaire maatregelen, intimidatie, blacklisting en reputatieschade. Belangrijk is dat de bewijslast wordt omgekeerd: zodra een melder aantoont dat een melding is gedaan en daarop een nadelige maatregel is gevolgd, ontstaat een vermoeden dat die maatregel een represaille vormt. Het is dan aan de werkgever om te bewijzen dat de maatregel naar behoren gerechtvaardigd was op gronden die niets met de melding te maken hebben.

Vergoeding. Voor werknemers die het slachtoffer worden van represailles wordt de vergoeding vastgesteld op tussen 18 en 26 weken loon. Voor melders in de financiële sector geldt een vast bedrag van zes maanden brutoloon of de werkelijke schade (naar keuze van het slachtoffer), samen met een recht op reïntegratie.

Aansprakelijkheidsbescherming. Melders zijn beschermd tegen aansprakelijkheid voor het bekendmaken van vertrouwelijke informatie, bedrijfsgeheimen, of gegevens die beschermd zijn door contractuele of wettelijke vertrouwelijkheidsverplichtingen, voor zover zij redelijke gronden hadden om aan te nemen dat de bekendmaking noodzakelijk was om de inbreuk aan het licht te brengen. De Arbeidsovereenkomstenwet is aangepast om te bevestigen dat een melding of bekendmaking onder de Klokkenluiderswet geen grove nalatigheid, zware fout of gewone fout kan uitmaken waarvoor een werknemer aansprakelijk kan worden gesteld.

Sancties. Niet-naleving van de verplichting om een intern kanaal op te zetten of meldingen op te volgen is strafbaar met strafrechtelijke sancties of administratieve boetes. Het belemmeren van een melding, represailles tegen beschermde personen, het instellen van kennelijk onredelijke procedures, of het schenden van vertrouwelijkheidsverplichtingen zijn strafbaar met gevangenisstraf en boetes.

Register. Het bedrijf moet een register bijhouden van alle ontvangen meldingen, bewaard voor de duur van de contractuele relatie met de melder.

2.2 De Wet Private Opsporing: kernpunten voor HR

De PIA is in werking getreden op 16 december 2024 en vervangt de vroegere Wet Privédetectives van 1991. Ze regelt "activiteiten van private opsporing", breed gedefinieerd als het verzamelen van informatie over natuurlijke of rechtspersonen of over feiten die door hen zijn gepleegd, uitgevoerd door een natuurlijke persoon in opdracht van een opdrachtgever, met als doel de belangen van de opdrachtgever te vrijwaren in de context van een feitelijk of potentieel conflict.

Breed toepassingsgebied. In tegenstelling tot haar voorganger is de PIA niet alleen van toepassing op externe detectivebureaus, maar ook op interne onderzoeksfuncties binnen bedrijven—HR-afdelingen, compliance-teams en elke andere afdeling die structureel onderzoeken uitvoert, vallen in principe onder de PIA. Dit betekent een belangrijke uitbreiding van het regulerende bereik.

Vergunningsvereiste. Een interne dienst voor private opsporing (interne dienst voor private opsporing) moet een voorafgaande vergunning verkrijgen van de minister van Binnenlandse Zaken. De vergunning is 5 jaar geldig en hernieuwbaar. Deze vereiste is voorgeschreven op straffe van nietigheid van het onderzoek. Leden van de dienst moeten ook een individuele identificatiekaart verkrijgen en voldoen aan persoonlijke vereisten, waaronder nationaliteits- en verblijfsvoorwaarden, geen strafrechtelijke veroordelingen, en (nog te bepalen) voorwaarden inzake professionele opleiding en ervaring.

Uitzondering voor HR-afdelingen. Leden van een HR-afdeling die een incidentonderzoek uitvoeren met betrekking tot een werknemer van hun eigen werkgever zijn vrijgesteld van de vergunnings- en identificatiekaartvereisten—maar niet van de inhoudelijke onderzoeksregels. De reikwijdte van deze uitzondering moet nog worden verduidelijkt; ze wordt geacht niet-structurele incidentonderzoeken door HR te dekken, maar de precieze grenzen liggen nog niet vast.

Verplicht intern reglement. Elke werkgever moet, op straffe van nietigheid, een intern reglement aannemen dat private onderzoeken van werknemers regelt (na betrokkenheid van het bevoegde werknemersvertegenwoordigingsorgaan). Het interne reglement moet uiterlijk op 16 december 2026 worden aangenomen.

Verboden onderzoeksdomeinen. De PIA bevat een aanzienlijk uitgebreide lijst van verboden onderzoeksgebieden—onderwerpen die niet mogen worden onderzocht en waarover geen gegevens mogen worden verwerkt. Deze omvatten politieke opinies, religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen, vakbondslidmaatschap, genetische of biometrische gegevens, seksueel gedrag, en gezondheidsgegevens. Schending wordt gesanctioneerd met nietigheid. Onderzoeken in verband met sociale conflicten (arbeidsgeschillen waarbij sociale partners betrokken zijn) zijn ook verboden.

Waarborgen bij interviews. Interviews—de meest gebruikte onderzoekstechniek—zijn nu onderworpen aan strikte procedurele vereisten, gemodelleerd naar de waarborgen bij politieverhoren. De geïnterviewde moet schriftelijk toestemming geven, moet onder meer worden geïnformeerd over het doel van het interview en het gebruik van zijn of haar verklaring, moet erop worden gewezen dat hij of zij niet verplicht is te antwoorden, mag worden bijgestaan door een persoon van zijn of haar keuze, mag het interview op elk moment beëindigen, en heeft het recht om het schriftelijke verslag in te zien en te corrigeren. De onderzoeker moet zich onthouden van elke vraag, suggestie, dreiging of ander gedrag dat de indruk zou kunnen wekken dat de geïnterviewde niet vrij kan antwoorden.

Onderzoeksverslag en rechten van de betrokkenen. Binnen één maand na de laatste onderzoeksdaad moet een schriftelijk onderzoeksverslag aan de opdrachtgever worden voorgelegd. De opdrachtgever moet vervolgens, wanneer hij beslist om naar aanleiding van het verslag te handelen, alle betrokkenen wiens persoonsgegevens in het verslag worden verwerkt, informeren. Voordat de opdrachtgever naar aanleiding van het verslag mag handelen (bijvoorbeeld overgaan tot ontslag), moeten de betrokkenen de gelegenheid hebben gekregen om hun rechten van inzage, rectificatie en verwijdering uit te oefenen. Dit vormt een aanzienlijke praktische uitdaging voor werkgevers die een ontslag om dringende reden overwegen, dat naar Belgisch recht binnen drie werkdagen na het ogenblik waarop de werkgever voldoende kennis heeft van de relevante feiten, moet worden betekend. Werkgevers moeten daarom de kennisgeving aan de betrokkenen en het ontslagproces zorgvuldig op elkaar afstemmen om nadelige gevolgen te vermijden. Een mogelijkheid om deze spanning te verminderen, is de geïnterviewde tijdens het interview zelf te informeren over zijn of haar rechten.

Verplichte melding aan het openbaar ministerie. Wanneer het onderzoek feiten aan het licht brengt die een misdrijf vormen of waarschijnlijk vormen, moet de onderzoeker of vertegenwoordiger (d.w.z. de persoon die de onderzoeksopdracht aanvaardt) onmiddellijk en schriftelijk het openbaar ministerie hiervan in kennis stellen. Deze verplichting geldt enkel wanneer de feiten voldoende duidelijk zijn en niet gebaseerd zijn op vage geruchten. Het openbaar ministerie en de onderzoeksrechter kunnen de schorsing of zelfs de beëindiging van het interne onderzoek bevelen en de overlegging van documenten uit het onderzoeksdossier eisen. Deze meldingsplicht is niet onderworpen aan een expliciete nietigheidssanctie, maar roept belangrijke vragen op over de balans met het recht van het bedrijf om zichzelf niet te incrimineren—een onopgeloste spanning die een zorgvuldige beoordeling per geval vereist.

Nietigheidssancties. Ongeveer tien bepalingen van de PIA zijn voorgeschreven op straffe van nietigheid, wat betekent dat een schending de onderzoeksbevindingen nietig en onbruikbaar als bewijs maakt. Dit omvat onder meer de vergunningsvereiste, het onderzoeken van verboden domeinen, het ontbreken van een intern reglement, het gebruik van methoden die voorbehouden zijn aan de wetshandhaving, observatie op private plaatsen, en het gebruik van onrechtmatig verkregen informatie.

Bewijsrechtelijke gevolgen. De PIA wordt gekwalificeerd als een wet van openbare orde, wat betekent dat rechtbanken haar bepalingen ambtshalve moeten toepassen. Voor bepalingen die niet expliciet op straffe van nietigheid zijn voorgeschreven, behoudt de rechtbank een soevereine beoordelingsbevoegdheid over de bewijswaarde die aan de onderzoeksbevindingen moet worden toegekend—maar het openbare-ordekarakter creëert onzekerheid over de vraag of de bekende Antigoon-doctrine (die rechtbanken toestaat onrechtmatig verkregen bewijs onder bepaalde voorwaarden toe te laten) nog kan worden toegepast.

Belangrijke uitzonderingen. Twee uitzonderingen op het toepassingsgebied van de PIA verdienen specifieke aandacht. Ten eerste vallen onderzoeken die worden uitgevoerd om aan wettelijke verplichtingen te voldoen, buiten het toepassingsgebied van de PIA. Hoe deze uitzondering moet worden geïnterpreteerd, is niet volledig duidelijk. Zo zou de opvolging (inclusief onderzoeken) in het kader van klokkenluidersmeldingen mogelijk buiten het toepassingsgebied van de PIA kunnen vallen. De Belgische rechtsleer is hierover echter verdeeld, want zowel argumenten voor een ruimere als voor een striktere interpretatie kunnen worden gevonden. Ten tweede kwalificeren de professionele activiteiten van externe raadslieden (advocaten) niet als activiteiten van private opsporing.

1

3. Deel II — trends die we waarnemen in de HR-praktijk

Toegenomen klokkenluidersactiviteit. De Belgische klokkenluidersregels hebben geleid tot een merkbare toename van het spreken. De combinatie van robuuste bescherming tegen represailles, omgekeerde bewijslast, en de beschikbaarheid van externe en openbare meldkanalen heeft werknemers aangemoedigd om bezorgdheden te melden—ook over zaken zoals pesterijen op het werk, toxisch leiderschap en ruimere kwesties rond bedrijfscultuur die al dan niet strikt binnen het materiële toepassingsgebied van de Klokkenluiderswet vallen.

Uitgebreide meldkanalen voorbij de wettelijke vereisten. Veel bedrijven hebben hun meldkanalen vrijwillig uitgebreid om gedrag te dekken dat verder gaat dan het strikte materiële toepassingsgebied van de Klokkenluiderswet—zoals inbreuken op de gedragscode en veiligheidsincidenten. Hoewel dit goed bestuur aantoont, creëert het complexiteit: onderzoeken die door dergelijke ruimere meldingen worden uitgelokt, vallen waarschijnlijker binnen het toepassingsgebied van de PIA, omdat ze niet eenvoudig kunnen worden gekarakteriseerd als activiteiten "ter uitvoering van een wettelijke verplichting" onder de Klokkenluiderswet. Zoals hierboven vermeld, is de uitzondering van wettelijke verplichtingen op de PIA niet volledig duidelijk wat haar precieze grenzen betreft, en moet de beschikbaarheid ervan in de praktijk per geval worden beoordeeld.

De PIA als procesinstrument. Bedrijven worden al geconfronteerd met zaken—met name ontslagen om dringende reden—waarbij werknemers de bewijswaarde van interne onderzoeken betwisten op grond van het feit dat de PIA-vereisten niet werden naleefd. De nietigheidssanctie betekent dat een werkgever overtuigend bewijs van wangedrag kan hebben, maar dit niet in rechte kan gebruiken wegens procedurele gebreken in de manier waarop het bewijs werd verzameld. Dit vormt een belangrijke verschuiving in de dynamiek van arbeidsrechtelijke geschillen.

Onderzoeken naar gedrag op de werkvloer. Onderzoeken naar pesterijen, intimidatie en toxisch leiderschap zijn aanzienlijk toegenomen. Het verbod van de PIA op het onderzoeken van "seksueel gedrag" en "gezondheidsgegevens" creëert echter onzekerheid over de toelaatbaarheid van het onderzoeken van beschuldigingen die elementen van seksuele intimidatie of impact op de mentale gezondheid bevatten. Evenzo betekent de vereiste van toestemming voor interviews dat wanneer een betrokkene weigert mee te werken, het onderzoek kan stilvallen—hoewel werkgevers het algemene recht behouden om werknemers instructies te geven en werknemers de plicht hebben om mee te werken aan bewijsvergaring, waarbij het niet-naleven hiervan in passende omstandigheden zelf een disciplinaire maatregel kan rechtvaardigen.

4. Deel III — waarom dit een aangelegenheid is op bestuursniveau

Voor bestuurders van (beursgenoteerde) bedrijven creëert het gecombineerde effect van de Klokkenluiderswet en de PIA verschillende governance-vereisten die het zuivere HR-beheer overstijgen. Deze vereisten worden het best begrepen, ter illustratie, aan de hand van een aantal concrete risico's die ze met zich meebrengen: reputatie-kantelpunten, de interface met de strafrechtelijke autoriteiten, grensoverschrijdende governance-fragmentatie, en mogelijke aansprakelijkheidsblootstelling.

4.1 Reputatie-kantelpunten

Onder de Klokkenluiderswet is een melder altijd vrij om over te gaan tot openbaarmaking. Openbaarmaking verleent volledige beschermde status in specifieke omstandigheden (zie hierboven). Voor een (beursgenoteerd) bedrijf creëert dit een rechtstreeks traject van interne HR-processen naar openbare, mogelijk koersgevoelige informatie.

De raad van bestuur bepaalt de toon voor de strategie, de risicobereidheid en de bedrijfscultuur van het bedrijf. Een falen van het interne klokkenluiderskanaal—of dat nu te wijten is aan onvoldoende middelen, trage opvolging, of een gebrek aan vertrouwen—kan escaleren tot een reputatiecrisis. De raad van bestuur moet deze kanalen zelf niet beheren, maar moet zich ervan vergewissen dat het management ze onder controle heeft.

Op basis van onze ervaring zien we dat raden van bestuur periodieke rapportering ontvangen over belangrijke klokkenluidersstatistieken—zoals het aantal meldingen, verwerkingstijden, afhandelingspercentages, en de aard van gegronde bevindingen—zodat ze hun toezichtsrol kunnen vervullen zonder in operationele details te worden meegesleurd.

Naast formele processen hangt de geloofwaardigheid van klokkenluiderskanalen af van aangetoonde afwezigheid van represailles. De raad van bestuur bepaalt de toon vanaf de top, maar steunt op het management om deze toon te implementeren. Het management moet ervoor zorgen dat HR-beslissingen die melders raken, uitzonderlijk goed gedocumenteerd zijn, en de raad van bestuur moet dit kunnen verifiëren wanneer dat nodig is.

Het onderliggende governance-principe is duidelijk: delegeren, en het management vertrouwen om te leveren—maar opvolgen. Van bestuurders wordt niet verwacht dat ze het dagelijkse beheer van klokkenluiderskanalen leiden. Ze moeten zich er echter periodiek van vergewissen dat wat gedelegeerd is, correct wordt uitgevoerd.

4.2 Interface met de strafrechtelijke autoriteiten

De verplichte meldingsplicht aan het openbaar ministerie onder de PIA betekent dat een intern onderzoek, zodra het aanwijzingen van strafbaar gedrag aan het licht brengt, een parallel strafrechtelijk proces kan op gang brengen waarover het bedrijf geen controle heeft. Zoals vermeld, kan het openbaar ministerie het interne onderzoek schorsen of zelfs overnemen, en de overlegging van het onderzoeksdossier eisen.

Voor een (beursgenoteerd) bedrijf creëert dit scenario's die vooraf geplande communicatiestrategieën vereisen. Het management moet deze strategieën voorbereiden; de raad van bestuur moet worden geïnformeerd en, waar passend, geraadpleegd, zonder noodzakelijk het proces te leiden.

In de praktijk zien we dat raden van bestuur het kader voor interne controle en risicobeheer goedkeuren. Er wordt niet verwacht dat ze de operationele details ontwerpen. Toegepast op de PIA-context betekent dit dat het management noodscenario's moet voorbereiden voor situaties waarin een intern onderzoek tot een verplichte melding leidt—met inbegrip van wie communiceert met de autoriteiten, en hoe informatie intern en extern wordt beheerd. De raad van bestuur moet zich ervan vergewissen dat dergelijke planning is gebeurd.

4.3 Grensoverschrijdende governance-fragmentatie

Bedrijven met internationale activiteiten worden geconfronteerd met de uitdaging om een coherent mondiaal onderzoekskader te behouden, terwijl ze voldoen aan de strenge Belgische lokale vereisten. Het EER-only vergunningsregime van de PIA—met bepaalde beperkte uitzonderingen, waaronder Britse onderdanen/inwoners—dwingt bedrijven in de praktijk om hun onderzoekscapaciteit te lokaliseren. Dit kan conflicteren met governance en rapporteringslijnen op groepsniveau.

De implicaties zijn rechtstreeks voor compliance-functies die traditioneel op een geconsolideerde basis opereren. Het management is verantwoordelijk voor de implementatie van de nodige infrastructuur: een vergunde interne dienst voor private opsporing (of een passend beroep op de HR-uitzondering voor niet-structurele incidentonderzoeken), interne reglementen aangenomen binnen de wettelijke deadline van 16 december 2026, opgeleide onderzoekers die voldoen aan de persoonlijke vereisten, gedocumenteerde interviewprotocollen, en een duidelijke procedure voor het contact met het openbaar ministerie waar nodig. De raad van bestuur moet opvolgen of deze infrastructuur aanwezig is, zonder het ontwerp of de dagelijkse werking ervan te moeten beheren.

4.4 Mogelijke aansprakelijkheidsblootstelling

Afhankelijk van wat tijdens een onderzoek aan het licht komt en hoe de zaak vervolgens wordt behandeld, kunnen het bedrijf, het senior management of bestuurders mogelijk met aansprakelijkheid worden geconfronteerd. De aard en de ernst van de mogelijke blootstelling zullen variëren naargelang de omstandigheden, met inbegrip van het structurele karakter van de kwesties die aan het licht komen en/of de persoonlijke betrokkenheid van de betrokken persoon in de context van de inbreuk.

Daarom zijn passende governance-regelingen essentieel. Voor bestuurders blijft het ervoor zorgen dat adequate toezichtsmechanismen, duidelijke escalatieprocedures en goed gedocumenteerde besluitvorming aanwezig zijn, de meest doeltreffende manier om aan te tonen dat ze hun toezichtsrol hebben vervuld.

4.5 Conclusie

De Klokkenluiderswet en de Wet Private Opsporing vertegenwoordigen samen een paradigmaverschuiving in de manier waarop Belgische bedrijven wangedrag op de werkvloer moeten aanpakken. Het juridische landschap wordt gekenmerkt door ruime ambities, gedetailleerde procedurele vereisten, zware sancties, en resterende onzekerheid die enkel zal worden opgelost door rechtspraak en/of verdere wetgevende tussenkomst.

Voor raden van bestuur van (beursgenoteerde) bedrijven is de belangrijkste boodschap deze: klokkenluiden en interne onderzoeken zijn niet langer louter operationele aangelegenheden die volledig aan HR of compliance kunnen worden gedelegeerd. Het zijn governance-onderwerpen met rechtstreekse implicaties voor juridische blootstelling, bewijsrechtelijke integriteit, regelgevend risico, mogelijke strafrechtelijke onderzoeken en bedrijfsreputatie. De kwaliteit van governance moet steeds meer worden afgemeten aan hoe signalen worden ontvangen, hoe zorgvuldig onderzoeken worden uitgevoerd, en hoe transparant verantwoording wordt afgelegd.

Onze aanbeveling voor raden van bestuur is ervoor te zorgen dat duidelijke procedures, rapporteringslijnen en toezichtsmechanismen aanwezig zijn vóórdat potentiële problemen actief beheer vereisen.

De Auteurs

  • 2

    Inge Vanderreken
    A&O Shearman

  • 2

    Mathias Vandenhoudt
    A&O Shearman

Onze partner

  • A&O